De storyteller en de inflatie van het verhaal

In dit essay ga ik op zoek naar de herkomst en betekenis van de begrippen storyteller en storytelling. Beide duiken vandaag de dag steeds vaker op, en dat is opmerkelijk aangezien de Duitse filosoof Walter Benjamin in 1936 al hun einde had voorspeld. Ik kijk naar Benjamin’s definities maar vooral ook naar zijn context. De tijd waarin Benjamin leefde is nauwelijks te vergelijken met de onze, is er daarmee ook een verschil in zijn versie van de storyteller en hoe wij deze nu definiëren? Door Benjamin’s formulering af te zetten tegen twee hedendaagse visies, die van professor Dragas en de Amerikaanse schrijver Jonathan Gottschall komt ik uiteindelijk tot de conclusie dat de storyteller als persoon inderdaad niet meer bestaat, maar dat storytelling als discipline levendiger is dat ooit. Mede gestuwd door nieuwe technologische ontwikkelingen ontstaan er nieuwe vormen van verhalen en vertellingen, zoals bijvoorbeeld transmedia storytelling. Is hier sprake van een hype of staat het verhaal op zich aan de vooravond van een nieuw hoofdstuk? Dat laatste lijkt het geval. Verhalen horen bij de mens, maar hoe ze worden verteld, en door wie, verschilt per generatie en wordt mede bepaalt door de technische middelen die tot onze beschikking staan.

 

 

Storytelling is hot. Het is een van de buzzwords van de afgelopen jaren en iedereen heeft het er over of doet er iets mee. Google “storytelling” en je krijgt meer dan 46.300.000 resultaten. Geregeld vullen nieuwe titels de schappen van boekwinkels en bibliotheken of vinden hun weg via bol.com. De multimedia-opleiding CMD Leeuwarden van NHL Hogeschool is net gestart met de nieuwe minor Transmedia Storytelling en ook online zijn allerlei trainingen en cursussen te vinden. Kortom: storytelling is booming en het magische woord in onderwijs, marketing, management en zelfs de sociale sector. Maar waar trends en hypes de kop opsteken klinkt ook kritiek. In de Groene Amsterdammer werd vorig jaar een waarschuwend stuk geplaatst waarin werd gesproken over de “kapitalisering van het verhaal” (Bloemink, 2014) en de Oostenrijkse topontwerper Stefan Sagmeister haalde in een interview hard uit naar alle aandacht rondom storytelling en iedereen die zichzelf de titel storyteller toedicht:

People who actually tell stories, meaning people who write novels and make feature films, don’t see themselves as storytellers. It’s all the people that are nót storytellers who kind of, for strange reasons, because it’s in the air, suddenly now want to be storytellers. (Segmeister, 2014)

Al deze aandacht voor storytelling is op zijn minst opmerkelijk, aangezien de Joods-Duitse literatuurcriticus en filosoof Walter Benjamin al in 1936 het verdwijnen van de storyteller voorspelde in zijn essay ‘De verteller. Beschouwingen bij het werk van Nicolai Leskov’: “De verteller, hoe vertrouwd de term ook klinkt, leeft tegenwoordig niet meer echt voor ons. (…) Ze leert ons dat het bijna gedaan is met de kunst van het vertellen.” (Benjamin, 1936, p. 3)

Is de storyteller inderdaad verdwenen, zoals Benjamin voorspelde? En zo ja, wat verklaart dan de hedendaagse belangstelling voor de storyteller en zijn vak: het vertellen van verhalen? Wat en wie bedoelen we eigenlijk met de storyteller? In dit literatuurverslag ga ik op zoek naar een eenduidige definitie van de storyteller en naar zijn plaats in onze hedendaagse maatschappij. Ik wil uitzoeken of het pessimistische beeld dat Benjamin schetst klopt, of dat we juist een renaissance beleven, een wedergeboorte en herwaardering van het verhaal en zijn verteller. Dat laatste vormt een van de uitgangspunten in de thesis van professor Areti Dragas, The return of the storyteller in contemporary literature uit 2007. Zijn proefschrift, opmaat naar zijn boek uit 2014 met gelijknamig titel, neemt Benjamins werk als uitgangspunt en betoogt, aan de hand van een aantal hedendaagse schrijvers zoals Salman Rushdie en de Zuidafrikaan Coetzee, dat de storyteller terug is van weggeweest.

De Amerikaan Jonathan Gottschall, schrijver en literatuurdocent, is een andere mening toegedaan. In zijn boek The Storytelling Animal uit 2012 stelt hij dat storytelling in ons menselijk DNA zit en dat het vertellen van verhalen een evolutionair doel dient. Volgens Gottschall is storytelling niet dood of weggeweest, maar altijd aanwezig en continu in ontwikkeling: “Like a biological organism, it continuously adapts itself to the demands of its environment” (2012, p. 180)

De storyteller is springlevend. Technologische ontwikkelingen – juist die ontwikkelingen waarin Benjamin de oorzaak zag van de ‘inflatie van de ervaring’ en het verdwijnen van de storyteller – bieden nieuwe tools om verhalen te vertellen. Dat zien we om ons heen gebeuren in games, interactieve communicatie en film – het Nederlands Film Festival heeft dit jaar voor het eerst een prijs in de categorie Digital Storytelling uitgereikt. Echter, vandaag de dag zijn we geneigd om álles maar tot storytelling te bombarderen, waarmee we het risico lopen dat niet alleen de ervaring, maar vooral ook het verhaal zelf onderhevig wordt aan inflatie.

Laat ik beginnen enig licht te werpen op de notie storyteller. Dit Engelse woord is een vertaling van het Duitse woord ‘Erzahler’ zoals dat door Benjamin wordt gebezigd in zijn essay ‘De Verteller’. Als we op de online encyclopedie encyclo.co.uk kijken naar de letterlijke betekenis van het Engelse woord, dan is dat niet enkel ‘someone that tells a story’, maar staat het ook voor leugenaar: ‘someone who tells lies’. Een negatieve duiding die zo waarschijnlijk niet door Benjamin bedoeld wordt, maar nochtans een interessante daar hij (mij) doet denken aan fabeltjes en sprookjes, twee verhaalvormen die over het algemeen ook tot storytelling worden gerekend.

Het woord storyteller bestaat trouwens niet eens in het Nederlands, althans, het staat niet als zodanig in de Dikke Van Dale. Toch weten we allemaal ongeveer wat er mee bedoeld wordt. Iedereen heeft wel een beeld van de storyteller. Vaak is dat een oude wijze man, meestal bebaard, zittend bij het open vuur en omringd door aan zijn lippen gekluisterde toehoorders. Klopt dat beeld? Als Walter Benjamin het over de storyteller heeft zijn er een paar karakteristieken die eruit springen. In de eerste plaats heeft hij het over de verteller uit de orale traditie, iemand die verhalen van mond tot mond doorgeeft. Benjamin gaat hier wat mij betreft voorbij aan een belangrijk aspect bij mondelinge overdracht, namelijk de ruis die kan ontstaan bij vertelling op vertelling. Ik herinner me nog goed een klassikaal experiment uit mijn basisschooltijd: meester Kroes vertelde een verhaaltje aan een van de leerlingen, die dat weer moest doorvertellen aan de ernaast zittende leerling, enzovoorts. Als het verhaal de hele kring had afgelegd was er van de oorspronkelijke versie nog maar weinig over: honden waren katten geworden, regen werd zonneschijn en hoofd- en bijzaken omgedraaid. Dat Benjamin dit fenomeen onbesproken laat in zijn beschrijving van de storyteller vind ik merkwaardig.

Daarnaast is het nogal verwarrend dat Benjamin juist schrijvende vertellers, waaronder Letskov, aanhaalt om zijn punt te maken. Ook professor Areti Dragas ziet dit als een “contradictio in terminis” (2007, p. 36) in Benjamin’s essay. In zijn thesis The return of the storyteller in contemporary literature roemt hij Benjamin om zijn essay en ziet dit als startpunt van de hedendaagse literatuurkritiek. Hij herkent in Benjamin de eerste literatuurcriticus die de notie storyteller in relatie tot de literatuur behandelt, maar tegelijkertijd noemt hij hem “The Marxist Rabbi” en bestempelt hij diens essay als ‘hoogst ambigue’. Het is duidelijk dat Dragas het oneens is met Benjamin’s voorspelling met betrekking tot het verdwijnen van de storyteller, ook al doet de titel van zijn werk anders vermoeden. De notie “return” impliceert immers een eerdere afwezigheid van de storyteller. Iets kan niet terugkeren als het niet eerst is weggeweest, waarmee Dragas mijns inziens Benjamin toch indirect gelijk geeft.

Deze heeft het in zijn essay over twee soorten vertellers: enerzijds de “aan zijn land gebonden boer”, iemand die door en door op de hoogte is van de lokale gebruiken en besognes, en anderzijds de “handeldrijvende zeeman”, de reislustige avonturier die de uithoeken van de wereld heeft gezien. Wat deze twee archetypes volgens Benjamin gemeen hebben is hun grote mate van eigen ervaring, gecombineerd met een vorm van wijsheid die typerend is voor de verteller en zijn verhaal. Een ander kenmerk is de luisteraar, het publiek. Vertellen is een sociale aangelegenheid waarbij de interactie tussen de verteller en zijn toehoorders een wezenlijk onderdeel vormt. De wijze raad die in het verhaal zit vervlochten wordt door de luisteraar geassimileerd en later ook weer doorgegeven om zo onderdeel uit te gaan maken van het collectieve geheugen, Gedächtnis zoals Benjamin dat noemt.

Is er op basis van bovenstaande een goede definitie van het begrip storyteller te geven? Volgens Benjamin zou die kunnen luiden: iemand die behulpzaam zijn eigen ervaring combineert met universele wijsheid en dit mondeling overbrengt aan anderen. Hoe eenduidig is deze formulering? Houdt hij nog steeds stand?

Areti Dragas vindt het moeilijker om de storyteller te definiëren. en onderschrijft grotendeels de door Benjamin beschreven karakteristieken van de storyteller: zijn moraal, de wijsheid, het historisch besef, liefde voor ambacht en verbondenheid met de mens. Voorts benoemt hij een aantal historische manifestaties, waarbij onder andere de dichter Homerus, middeleeuwse minstrelen, William Shakespeare, de gebroeders Grimm, chroniqueurs en hedendaagse auteurs de revue passeren en ziet de storyteller terug in allerlei archetypes: de leraar, de priester, de leugenaar, de wijze man, de entertainer. De storyteller is een shape shifter (2007, p. 54) een kameleon, die bijna in elk persoon, elke stad en elk beroep aanwezig is (2007, p. 59).

Dragas is het echter oneens met de scheiding die Benjamin maakt tussen mondelinge en schriftelijke vertelcultuur en de verschillen tussen schrijver/verteller en lezer/luisteraar. Wat hem betreft vloeien deze twee tradities samen, ook al constateert hij dat de orale traditie vaker voorkomt in culturen met lage geletterdheid. Vandaar ook, zegt Dragas, dat we in het postkoloniale tijdperk de verteller weer terug zien in de literatuur. Regionale wijsheden en gebruiken van primitieve stammen uit landen die door het Westen zijn gekoloniseerd vinden hun weg terug als ze door lokale schrijvers in hun tweede moedertaal worden geïntegreerd in hun verhalen.

Dragas kijkt naar de storyteller met een heel andere bril en vanuit een andere tijd, namelijk de postmoderne en postkoloniale era. Naar mijn mening legt Dragas het accent echter veel te veel op hedendaagse literatuur en gaat hij voorbij aan andere manieren dan literatuur om verhalen te vertellen. Technologische ontwikkelingen hebben tot gevolg gehad dat ons nu veel meer middelen te beschikking staan om verhalen te vertellen en ervaringen te delen, denk alleen maar aan 3D films en holografische games. Er is een duidelijke verschuiving waarneembeer waarbij digitale communicatiemiddelen meer en meer terrein winnen ten opzichte traditionele media zoals het boek.

Deze verschuiving is min of meer te vergelijken met de ontwikkeling ten tijde van Benjamin, waar de mondelinge cultuur werd verdrongen door een meer geschreven vorm van communicatie. Gedurende deze periode, het interbellum, hoogtepunt van de industriële revolutie, werd het traditionele ambacht in de breedste zin van het woord meer en meer vervangen door techniek en massaproductie. Benjamin hield van dat ambacht, zoals valt op te maken uit zijn teksten waarin regelmatig metaforen gebezigd worden als ‘pottenbakken’ of ‘het weven’. Esther Leslie heeft het hier ook over in haar essay ‘Walter Benjamin: Traces of Craft’:

Benjamin describes storytelling,
the transmission of experience and wisdom, thus:
It sinks the thing into the life of the storyteller, in
order to bring it out of him again. Thus traces of the storyteller cling to the story the way the handprint of the potter clings to the clay vessel. (Leslie, 1998, p. 2)

Toch ziet Benjamin een ontwikkeling waarbij de storyteller en met hem zijn handprint aan het verdwijnen zijn. Om deze voorspelling van Benjamin beter te begrijpen is het denk ik goed om zijn plaats in de geschiedenis beter te bekijken. Benjamin komt persoonlijk en professioneel tot wasdom in de periode tussen de twee wereldoorlogen, een periode die zich kenmerkt door verandering. De industrialisatie is in volle gang, de massacommunicatie ontwikkelt zich en de Europese maatschappij verzuilt door de opkomst van zowel het marxisme als het fascisme. Dit gaat ten koste van bepaalde traditionele waarden: ambachtslieden worden vervangen door de lopende band, soldaten door tanks en verhalen rond het haardvuur door de krant. Benjamin ziet deze veranderingen met lede ogen aan en geeft de opkomst van dit soort nieuwe technologieën de schuld van het verdwijnen van de storyteller. De industrialisatie, in dit specifieke geval de boekdrukkunst en de mogelijkheid tot massaproductie, halen de ziel uit het werk. Hierdoor is de ervaring volgens Benjamin onderhevig aan inflatie. Is de ervaring bij een reproductie daadwerkelijk minder, of verandert deze slechts? Benjamin spreekt in een ander essay – ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ – over het aura van het kunstwerk. Het is ontegenzeggelijk waar dat de beleving van een écht schilderij, in de context van bijvoorbeeld een museum, niet te vergelijken valt met een afbeelding van datzelfde schilderij in laten we zeggen een tijdschrift of op een beeldscherm. Ik kan dat persoonlijk bevestigen: toen ik voor het eerst een échte Mondriaan aanschouwde in het Kröller Müller waren alle plaatjes die mij daarvoor waren getoond tijdens lessen kunstgeschiedenis totaal waardeloos.

Aan de andere kant: zonder deze kennismaking met De Stijl zou ik wellicht nooit van Mondriaan hebben gehoord, en zijn Compositie met rood, geel en blauw nooit hebben gezien. Juist door reproduceerbaarheid wordt de ervaring toegankelijk gemaakt voor een veel grotere groep, waarmee ze wellicht aan kwantiteit goed maakt wat aan kwaliteit verloren gaat. Maar dat is een geheel andere discussie.

De weerstand die Benjamin voelde tegen technologische ontwikkelingen, laten we het vooruitgang noemen, is begrijpelijk en van alle tijden. De Griekse filosoof Socrates verzette zich tweeduizend jaar geleden al sterk tegen zo’n ontwikkeling, namelijk die van het geschreven woord. Het schrift zou, aldus Socrates, ten koste gaan van de dialoog, het gesprek waarbij men met argumenten en dialectiek de ander trachtte te overtuigen zoals dat in Socrates’ tijd gebruikelijk was. Eigenlijk doet Benjamin eeuwen later exact hetzelfde – ook hij verzet zich ook tegen de verschuiving van een mondelinge naar een schriftelijke vertelcultuur, van dialoog naar monoloog. Het verdwijnen van de storyteller representeert eigenlijk de opkomst van het kapitalisme en de transitie van een sociale naar een egoïstische maatschappij waar informatie belangrijker is dan wijsheid, zo ziet ook Dragas. (2007, p. 37)

Andere historische voorbeelden waarbij de angst voor technologie een rol spelen zijn bijvoorbeeld de opkomst van de fotografie in de negentiende eeuw en veel recenter die van het internet. Nieuwe media roepen in eerste instantie vaak weerstand op bij de gevestigde orde, maar bieden tegelijkertijd ook weer andere mogelijkheden aan volgende generaties; de techniek moet echter eerst beklijven voordat ze goed kan worden ingezet. De Amerikaan Jonathan Gottschall, auteur van het boek The Storytelling Animal geeft daarvan een mooi voorbeeld in zijn TEDx talk op Furman University – het is 1896 en in Parijs wordt in een volle zaal een stomme film vertoond. Het is een productie van de gebroeders Lumière, pioniers op het gebeid van cinema, waarop een stationnetje te zien is waar een stoomtrein binnenrolt. Grote paniek in de zaal! De bezoekers, onbekend met het nieuwe medium film, zijn bang door de trein overreden te worden en vluchten massaal de zaal uit. Of dit verhaal echt waar is laat ik even in het midden, het gaat er om dat wij verhalen nodig hebben zoals water en zuurstof. Gottschall noemt ons homo fictus, de verhalende mens. Ook nu nog, terwijl we heel goed weten dat film geen werkelijkheid is en ons eigenlijk bij de neus neemt, laten we ons graag meeslepen in een enge griezelfilm of een romantische tranentrekker. De ervaring is weliswaar niet echt, zoals Benjamin destijds bedoelde, de ermee gepaard gaande emotie is er niet minder om. Technologische ontwikkelingen, en daarmee nieuwe media, maken de ervaring juist toegankelijker en bereikbaar voor de massa. Gottschall is van mening dat die nieuwe technologie de storyteller juist faciliteert. Zo ook de opkomst van de boekdrukkunst die van de vertellende storyteller een schrijvende heeft gemaakt.

Volgens Walter Benjamin is er echter een wezenlijk verschil tussen de storyteller enerzijds en de auteur van romans die wij doorgaans ook als verteller kenmerken, anderzijds. Zowel de romancier als de lezer zijn in tegenstelling tot de storyteller allesbehalve sociaal. Beide handelen solitair, egoïstisch haast. De schrijver schrijft in eenzaamheid, net zoals de lezer leest. Alleen. Wat betreft Benjamin staan ze, gefaciliteerd door de techniek van de boekdrukkunst, symbool voor het verdwijnen van de storyteller en de kunst van het vertellen. Dat gaat niet alleen Dragas te ver, ook Gottschall ziet in de schrijver en vooral in zijn relatie tot de lezer juist kenmerken die voor storytelling zo essentieel zijn, zoals de assimilatie van de ervaring, de wijze hoe de lezer het verhaal interpreteert op basis van zijn eigen context:

The writer is not, then, an all-powerful architect of our reading experience. The writer guides the way we imagine but does not determine it. (…) A writer lays down words, but they are inert. They need a catalyst to come to life. The catalyst is the reader’s imagination. (2012, p. 6)

Ook een nieuw fenomeen als transmedia storytelling maakt gebruik van nieuwe technologieën en communicatievormen om die verbeelding van de gebruiker te prikkelen. Nieuwe technieken zoals 3D brillen en kleding met sensoren worden gecombineerd met disciplines als theater, film, games en social media. Door zich niet te laten beperken door een enkel medium als boek, film of event, maar juist een mix van allerlei middelen in te zetten ontstaat er een veel grotere beleving die een veel grotere doelgroep kan bereiken. Het zijn de storytellers van vandaag, schrijvers, kunstenaars, filmmakers en gamestudio’s, die nieuwe middelen aanboren en het verhaal weer boeiend weten over te brengen naar het publiek.

In dit essay heb ik de begrippen storyteller en storytelling min of meer willekeurig door elkaar gebruikt. Achteraf is dat niet handig gebleken, want het ene impliceert niet automatisch het andere. Storytelling is een vak, waarbij nog steeds de moraal ambachtelijk in het narratief wordt gevlochten, maar de storyteller is geen beroep.

De notie moet vooral geïnterpreteerd worden als archetype, als oervorm die door de eeuwen heen verandert en in verschillende gedaantes verschijnt. In zekere zin had Walter Benjamin gelijk met zijn voorspelling over het verdwijnen van de storyteller, in ieder geval als we hem in zijn eigen tijd en context plaatsen en zijn originele definitie hanteren waarbij de orale traditie, de sociale exponent en het overbrengen van ervaring en wijsheid essentieel zijn. Echter, tijden veranderen en definities evenzo. De bebaarde stamoudste en zijn kampvuur, de aan zijn land gebonden boer en de handeldrijvende zeeman zijn niet meer, maar vervangen door interdisciplinaire teams die nieuwe en oude verhalen visueel en narratief in elkaar weven tot collectieve beleving. De kunst van het vertellen, storyteling, is daarmee springlevend. Storytelling kán niet verdwijnen want verhalen zitten nu eenmaal in ons het DNA. De mensheid is net als altijd op zoek naar antwoorden en duiding door middel van verhalen. De vooruitgang houdt die behoefte niet tegen, integendeel, technologische ontwikkelingen zullen extra tools blijven bieden. om verhalen en ervaringen te delen en over te brengen naar het publiek. Transmedia storytelling zal zintuigen en verhalen meer en meer met elkaar verweven, om uiteindelijk hetzelfde doel te dienen: ons voorzien van nieuwe ervaringen.

Laten we er echter voor waken de term storytelling te pas en te onpas en overmatig te gebruiken, want daardoor is niet de ervaring, zoals Benjamin voorspelde, maar het verhaal zélf onderhevig aan inflatie.

 


 

Bibliografie